De oplossing van de perversie (augustus '10)

Uitvoeriger dan in het FD van 2 augustus.

 

Zonder perverse prikkels in de Geestelijke Gezondheidszorg?

De burger de baas, de overheid de kaders (inclusief rantsoenering), de veldpartijen een gelijk speelveld en twee toezichthouders, de Inspectie en de Zorgautoriteit. Dat is het antwoord op de huidige structuur van de GGZ, die bol staat van weeffouten en perverse prikkels.

Kwaliteit van leven is waar burgers terecht een groot belang aan hechten. Gezondheid staat altijd bovenaan, samen met inkomen. De verantwoordelijkheid hiervoor is verschoven van het individu naar de Staat, verworden tot een recht dat verplicht verzekerd is.

Tegelijkertijd heeft de gezondheidszorg een enorm aanbod ontwikkeld. Het probleem van de (geestelijke) gezondheidszorg is hiermee geschetst. De veldpartijen, burgers, aanbieders, verzekeraars en de overheid bevinden zich in een verlammende verstrengeling als het gaat over hoe de levenskwaliteit kan worden verbeterd. Dat heeft geleid tot inconsistent beleid, waarin perverse prikkels (zie kader) als muskusratten de toch al modderige dijk lekgraven. Het gaat dus om een uiterst complex probleem.

Wie is verantwoordelijk voor wat en hoe wordt dat netjes geregeld. Die vraag moet worden beantwoord.

Vijf onderliggende veenbranden worden benoemd. Ten eerste, hoeveel regelgeving is er nodig om de innerlijke goedheid van de mens (de akelige diersoort mens?) te beheersen. De bij ons allen welhaast in ons DNA verankerde neiging om de mazen in het net te gebruiken voor eigen gewin roept bij wet- en regelgevers de voorspelbare reflex van meer regelgeving op. Ten tweede, hulpverleners willen net zoals andere mensen een goed salaris verdienen. Geen keuzes maken leidt tot de derde veenbrand: is de gezondheidszorg een Angelsaksische markt of een Russische planeconomie. Het huidige gedrocht is een bak waar alle voor- en tegenstanders naar harte lust uit kunnen graaien. VWS is, ten vierde, de speelbal van de veldpartijen, van (door haarzelf geïnstitutionaliseerde) autoriteiten en adviesorganen en van de zwalkende politiek. Daarbij zijn al deze stakeholders ook nog eens intern verdeeld. Tenslotte, hoe moet de onontkoombare rantsoenering van de zorg worden geregeld.

Het antwoord op de centrale vraag.

Uitgangspunt: de burger moet de bestuurder zijn als het gaat om zijn levenskwaliteit. Behoedt hem voor de woelingen van de goede bedoelingen van al die partijen die hem ongevraagd vertegenwoordigen. De burger moet daartoe verleid en versterkt worden. De burger roept eventueel hulp in.

Langs twee invalshoeken wordt een eenvoudig model geschetst voor als de burger hulp inroept: “wat wordt waar geboden” en “wie biedt hoe wat aan”. Scharnierpunt is de poort(wachter), de huisarts.

Voor de poort spelen zaken op alle levensgebieden. Essentieel zijn de beschikbaarheid van goede screening, waarmee de burger zijn hulpvraag kan bepalen en adequate hulp kan uitzoeken, door welke preventieve dienstverlening zijn vraag het beste wordt beantwoord. Grote efficiëntie door internet(zelf)hulp. Financiering door de Gemeenten en Zorgverzekeraars.

In de poort, bij de huisarts, blijven de mogelijkheden van voor de poort beschikbaar, alleen nu met coaching en hulp van een meer gespecialiseerde professional. Financiering door de Zorgverzekeraars.

Voorbij de poort: wanneer in de poort blijkt dat de vraag van de burger een specialistisch en/of intensiever antwoord behoeft dan dient deze optie meteen ingezet te worden, en niet eerst de burger laten falen in “lichtere” trajecten. Financiering door de Zorgverzekeraars.

Voor de poort werken generalisten, in de poort de huisarts, verpleegkundig specialist en GGZ-generalist. Voorbij de poort werken de specialisten, die juist ook goed zijn in multiproblemen (meer dan 65% van de patiënten). De verslaglegging volgt dezelfde systematiek: voor de poort heeft de burger zijn eigen dossier, in de poort kan de burger deze informatie delen met de huisarts en houdt de huisarts zijn eigen dossier bij. Voorbij de poort is dit ook het geval (hulpverlener). Bij elk dossier is de patiënt de baas.

Naast de face-to-face hulpverlening, die altijd blijft bestaan, zal het aandeel internet hulpverlening in de hele keten snel toenemen.  Zie onderstaand verloop naar probleemintensiteit.

Voor  en in de poort zijn percentages internethulp haalbaar van 50-70%, voorbij de poort 10-50%. Door hybride (face-to-face en internet) programma’s aan te bieden kan mogelijk nog meer bereikt worden. De gekapitaliseerde bezuiniging is meer dan 20%.

 

Terecht wijst de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg op financiële prikkels die de omslag van ziektemodel naar gezondheidsmodel mogelijk moeten maken. De wegen die daarbij genoemd worden zijn onrealistisch. Men steunt volledig op de aanwezigheid van harde criteria, die jammer genoeg niet goed vast te stellen zijn. Per saldo bepaalt de burger of hulp naar genoegen werkt. Dus dit cijfer is doorslaggevend. De eerder genoemde screening kan snel gerealiseerd worden, bijna alles bestaat al. De complexe DBC structuur kan worden opgeheven, wanneer de hulpverleners uurtarieven krijgen, gedifferentieerd naar taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Alleen deze normalisering bespaart al 5% van de zorgkosten.